|
|
In de regen liep ik naar het Felix Meritis om de presentatie van het boek Kakafonie, Encyclopedie van de Stront van Gerrit Komrij bij te wonen. ‘Of je nu staat te genieten van een mooi uitzicht of een prachtig gedicht aan het schrijven bent, iedereen draagt een drol met zich mee.’ Woorden van een jonge Komrij, waarna een verzameling boeken over stront ontstond die zo’n vier eeuwen beslaat.
Ik betrad het Felix Meritis tegelijkertijd met een dame die, eenmaal binnen, haar paraplu inklapte en haar kapsel wat op orde bracht. Ik had paraplu noch kapsel. Ik volgde haar naar een ronde zaal met een hoog plafond en een balkon rondom. Links de bar, rechts de kapstok, aan weerszijden van de zaal een aantal houten tafels met stoelen eromheen. Ik bestelde een glas bier, ging aan een tafeltje zitten en keek de zaal rond. Daar stonden Kees Van Kooten en Harry Mulisch, en aan het tafeltje voor me nam Johannes van Dam plaats. Een jongen bracht bakjes pinda’s rond. Mijn tafel werd overgeslagen. Ik zag de jongen een ogenblik nadenken, me vluchtig opnemend, maar hij herkende mij niet, volkomen terecht, en ging aan mijn tafel voorbij. Daarna herhaalde dit zich met de schaal met kaas en worst.
Toen ik nog wat te drinken ging halen, stond ik aan de bar ineens naast Gerrit Komrij. Zou ik hem even aanspreken? Maar omdat hij in gesprek was (‘Dat er maar snel een tweede druk mag verschijnen’, zei iemand, wat een van de vele woordgrappen was die de avond rijk werd), nam ik mijn bestelling ter hand en liep terug naar mijn pindaloze tafel. Ik zat net goed en wel op mijn stoel, toen er een meisje met een schaal bitterballen langs kwam. Ik bedankte beleefd, haar het idee meegevend dat ik nog vol zat van de kaas en de worst.
Ooit, zo zei ik tegen mezelf, zal er wellicht een dag komen dat ook ik pinda’s en kaas en worst krijg geserveerd, en ik moest denken aan de brief van schrijver John Fante die hij in 1932 aan de redacteur van literair tijdschrift The American Mercury schreef: ‘Ik ben van plan ooit redacteur van The American Mercury te worden. Rond mijn veertigste denk ik er gekwalificeerd voor te zijn. Het amuseert me erg dat een tijdschrift waar ik eens redacteur van zal zijn, mijn verhalen regelmatig afkeurt, en ik lijd ook niet aan grootheidswaan.’
Omdat de presentatie nog even op zich liet wachten liep ik naar het toilet. Het raam in de wc keek uit over de daken van de gebouwen aan de Keizersgracht. Het regende nog steeds. Ineens kreeg ik aandrang. Bij het ontbreken van een wc-bril hing ik met mijn billen boven de pot, als een skischansspringer vlak voor zijn afsprong. In de verte werd Gerrit Komrij aangekondigd, waarna applaus klonk.
Martijn Couwenhoven
www.martijncouwenhoven.nl
|